Checklist aanmelding

Om in aanmerking te komen voor het EVC- traject ten behoeve van de SKJ-registratie zijn de volgende voorwaarden aan de orde:

  • Je bent minstens 1 jaar werkzaam op een hbo-functie;
  • Je bent verantwoordelijk voor de taken die volgens de norm verantwoorde werktoedeling door een geregistreerd professional moeten worden uitgevoerd;
  • Je voldoet niet aan de registratie-eisen voor de kamer Jeugd- en gezinsprofessionals in het SKJ.

Ga voor jezelf na of je ervaring hebt in de volgende werkveldgebieden en de bijbehorende gedragsindicatoren. Tijdens de aanmelding zal dit besproken worden.

Dit is de deskundigheid om de jeugdige en zijn gezin te ondersteunen bij het voeren van de regie. Het centrale dilemma daarin is: hoe laat of leg je de regie bij de jeugdige en het gezin, en wanneer neem je de regie over? Dit dilemma ziet er in iedere situatie anders uit, maar vraagt van de professional om hetzelfde soort afwegingen.

1. Je werkt continu vanuit de gedachte: wat je zelf kunt, doe je zelf.

2. Je stimuleert de jeugdige, zijn gezin en/of het netwerk om te kijken naar hoe het wel zou kunnen lukken.

3. Je beëindigt op tijd het contact.

4. Je bent je bewust van het belang van veerkracht van mensen.

5. Je stimuleert mensen om vaardigheden te leren waardoor ze veerkrachtiger worden.

6. Je bemerkt de gedragsverandering als gevolg van de nieuwe vaardigheden.

7. Waar mogelijk in overleg met een collega, weeg je zorgvuldig af -met het oog voor de veiligheid van de jeugdige -of (een deel van) de regie bij de jeugdige, zijn gezin en/of het netwerk kan worden belegd. Je analyseert de situatie en geeft argumenten of dat de regie tijdelijk overgenomen moet worden of juist weer terug kan worden gegeven: licht waar mogelijk, zwaar waar nodig.

8. Je maakt mogelijke onderlinge verschillen bespreekbaar.

9. Je stelt samen met de jeugdige, zijn gezin en/of verzorgers een norm: wanneer is het goed en veilig genoeg voor de jeugdige en/of zijn gezin.

10. Je geeft tijdens overleg met betrokkenen argumenten waarom het wel of niet nodig is dat de jeugdige en zijn gezin (tijdelijk) afstand nemen van elkaar. Je toetst dat bij een collega.

11. Je onderzoekt samen hoe de draagkracht van de jeugdige, zijn gezin en/of netwerk versterkt en vergroot kan worden, zodat hij (opnieuw) zelf de regie kan (blijven) voeren.

12. Je inventariseert met de jeugdige, zijn gezin en/of netwerk of zij voldoende informatie hebben om de regie concreet invulling te geven.

13. Je ondersteunt de jeugdige en zijn gezin actief bijhet activeren en benutten van het netwerk, zodat zij daarbij op een goede en verbindende manier de regie kunnen voeren.

14. Je bespreekt samen de behoefte van de jeugdige, zijn gezin en/of netwerk, en de verschil-lende (on)mogelijkheden van alle betrokkenen (waaronder ook professionals uit diverse organisaties) om bij te dragen.

15. Je ondersteunt zo nodig de jeugdige, zijn gezin en/of netwerk, bij het bepalen en formuleren van doelen.

16. Daar waar de jeugdige geen hulpvraag stelt en er met hem ook geen dialoog over mogelijk is blijf je zoeken naar aanknopingspunten om de jeugdige in beweging te krijgen en iets te doen met waar hij op vastgelopen is.

17. Je houdt vol en zet in overleg met een collega strategieën in om in contact te komen met de jeugdige en/of zijn gezin die in eerste instantie afwijzend tegenover hulp staan.

Dit is de deskundigheid om een relatie te bouwen en onderhouden die gebaseerd is op wederzijds vertrouwen en respect. Een relatie waarin je kunt samenwerken vanuit de gedachte dat een professional een tijdelijke rol heeft.

1. Je werkt zoveel mogelijk met de situatie zoals deze is, en zet deze dus niet naar je eigen hand. Als de jeugdige niet met je aan tafel wil, onderzoek je met wie de jeugdige dan wel aan tafel wil. Je dwingt daarbij niets af.

2. Je maakt veiligheid bespreekbaar en zoekt samen naar wat goed en veilig is voor de jeugdige en zijn gezin.

3. Je handelt zoveel mogelijk terughoudend (in de wetenschap dat je een passant bent) maar stelt altijd de veiligheid voorop.

4. Je sluit in elke fase van het proces aan bij de vraag en de motivatie van de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk

5. Je geeft advies, input en/of informatie als de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk aangeven een vraag te hebben over een bepaald thema. Indien nodig doe je dat in overleg met een collega.

6. Je spreekt de jeugdige, zijn gezin en/of netwerk aan op gedrag als dat grensoverschrijdend is en actief luisteren niet meer mogelijk is. Zo nodig overleg je hierover met collega’s of vraag je hun feedback.

7. Je zoekt bij een moeilijk besluit evenwicht tussen professionele afstand en empathie.

8. Je schakelt bij moeilijke besluiten een collega in.

Dit is de deskundigheid om actief met de jeugdige en zijn gezin op zoek te gaan naar het netwerk, want er is altijd meer dan gedacht. Je ondersteunt bij het verder verstevigen en verbreden van het netwerk.

1. Je maakt veiligheid bespreekbaar en zoekt samen wat goed en veilig is voor de jeugdige en zijn gezin.

2. Je stemt continu samen de verwachtingen af.

3. Je bemoedigt de jeugdige in zijn zoektocht naar zelfstandigheid en maatschappelijke participatie.

4. Je brengt samen de krachten van de jeugdige en zijn gezin/het netwerk in kaart, en zoekt samen naar mogelijkheden om deze krachten te versterken.

5. Je bevestigt en bemoedigt de jeugdige en zijn gezin en netwerk bij kleine stapjes voorwaarts bij het versterken van het netwerk en je benoemt en bevestigt deze.

6. Je voert samen het gesprek over de hulpvraag en wie waarbij en op welk moment kan ondersteunen.

7. Je ondersteunt, zo nodig, de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk om het netwerk te onderhouden.

8. Je ondersteunt de jeugdigen zijn gezin om samen met het netwerk een plan te maken, waarin ieders bijdrage en rol helder is. Je geeft dit netwerk je vertrouwen. Je neemt het serieus als het informele netwerk zegt: “Er is iets aan de hand met het kind”.

9. Je ondersteunt, indien nodigen in overleg met een collega, bij de uitvoering, evaluatie en bijstellen van het plan. Het uitgangspunt blijft daarbij dat je eigen rol zo klein mogelijk kan blijven.

Dit is de deskundigheid om met collega-professionals en collega-organisaties samen te werken rond de vraag van de jeugdige en zijn gezin. De jeugdige en zijn gezin staan daarbij altijd voorop

1. Je maakt je eigen persoonlijke en professionele belang, visie en opvattingen ondersteunend aan het belang van de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk.

2. Je maakt veiligheid bespreekbaar en zoekt samen wat goed en veilig is voor de jeugdige.

3. Je praat altijd met de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk, in een gezamenlijk overleg. Als de veiligheid in het geding is kun je daarvan afwijken.

4. Je overlegt, waar mogelijk en veilig, ook met de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk in multidisciplinaire en interprofessionele overleggen en samenwerking. Zo nodig roep je daarbij vooraf of achteraf de hulp in van een collega. Kan de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk niet aanwezig zijn, dan licht je hen in over het overleg (als dat veilig is) en informeer je hen na afloop over de inhoud en besluitvorming.

5. Je organiseert de inzet van lichtere of juist zwaardere ondersteuning en doet dit in overleg met de jeugdige, zijn gezin en (eventueel) betrokken collega’s bij collega-organisaties.

6. Je hebt respect en begrip voor de verschillende referentiekaders en drijfveren van de jeugdige en zijn gezin.

7. Je legt uit waarom jouw handelen in het belang van de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk is.

8. Je maakt samen een plan en afspraken om de vraag aan te pakken en stelt, zo nodig, samen voorwaarden vast waaraan moet worden voldaan.

9. Je bespreekt samen wat alle betrokkenen in deze situatie te bieden hebben voor deze jeugdige en het gezin/netwerk.

10. Je bespreekt dit met collega’s en vraagt hen om feedback.

11. Je spreekt samen af wie het eerste aanspreekpunt is voor de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk en je houdt je aan die afspraken.

12. Gebruikmakend van het netwerk van collega’s kun je snel en soepel schakelen tussen preventieve en curatieve ondersteuning. Je doet dit in samenspraak met professionals in de wijk en met andere organisaties.

13. Je neemt (mede)verantwoordelijkheid voor het proces en de gemaakte afspraken en gaat daarover zo nodig het gesprek aan met je collega-professionals.

14. Je spart met interne en externe collega’s, jeugdige en zijn gezin en/of netwerk en hebt oog voor de effectiviteit en de efficiëntie van de aanpak. Je onderzoekt ook of je toe kan met minder ondersteuning, of dat juist meer ondersteuning nodig is. Je onderneemt actie als één van beide aan de orde is.

15. Je evalueert regelmatig samen wie er nog nodig zijn, en wat de toegevoegde waarde van alle betrokkenen is voor de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk. Daarna doe je zelf, dan wel doen andere professionals of organisaties, zo nodig, -tijdelijk -een stap terug.

16. Je kaart bij je eigen organisatie aan waar knelpunten zijn die voortkomen uit (gemeentelijk) beleid en wet-en regelgeving.

17. Je stelt (vanzelfsprekende) zaken aan de orde en draagt daarmee bij aan de professionalisering van (startbekwame) interne en externe collega’s. Dit doe je door vanuit je eigen kennis en ervaring kritische vragen te stellen die helpen bij een juiste signalering en interpretatie.

18. Je signaleert nieuwe vragen en trends die voorkomen in het werkveld, en kaart deze bij de eigen organisatie aan.

Dit is de deskundigheid om in bepaalde situaties de regie (deels en tijdelijk) over te nemen. Hiervan is met name sprake in de jeugdzorg, de ggz en de gehandicaptenzorg.

1. Je hoort altijd de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk of je zorgt dat een vertegenwoordiger namens hen spreekt. De wens en/of behoefte van de jeugdige en zijn gezin zijn uitgangspunt voor het besluit.

2. Je legt die behoefte of wens vast.

3. Je laat bij elke afweging de veiligheid van de jeugdige en zijn gezin voorop staan. Je levert een bijdrage aan de veiligheid van het netwerk, de groep, de sociale omgeving en jezelf. Je neemt pas in laatste instantie en na consultatie van collega’s de regie (deels) over.

4. Je kunt alle andere betrokkenen duidelijk maken waarom welke beslissing genomen is en hen vragen datzelfde te doen.

5. Je bespreekt de veiligheid en vraagt altijd eerst aan de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk hoe zij zelf denken de veiligheid te garanderen.

6. In overleg met een collega onderzoek en analyseer je zorgvuldig wat de opties en consequenties zijn. Je kijkt daarbij naar: –Draagkracht versus draaglast van de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk.- Hoe de jeugdige en het gezin hun netwerk kunnen verbreden, versterken en positioneren.

7. Je blijft actief luisteren naar de afwegingen van de anderen en openstaan voor het proces.

8. Je houdt scherp wat het doel is en wat je daarin als professional te bieden hebt.

9. Je neemt een besluit altijd in overleg met collega’s. Zeker als het gaat over de verantwoordelijkheid wegnemen bij de jeugdige en zijn gezin. Je toetst bij hen en reflecteert op je afwegingen. 

10. Je wijst ouders op de (onafhankelijke) ondersteuning die ze kunnen krijgen wanneer je besluiten neemt waar ze niet, of maar gedeeltelijk, achter kunnen staan.

11. Je blijft kritisch en onderzoekend: is het genomen besluit nog steeds het beste?

12. Je durft hulp en ondersteuning voor jezelf te vragen, je erkent je eigen (professionele en emotionele) grenzen en bespreekt dilemma’s, je weet wat jezelf wel en niet kunt organiseren en schakelt collega’s in als dat in het belang is van de jeugdige, je signaleert bij jezelf wanneer je je overbelast voelt en geeft dit tijdig aan bij je collega’s en leidinggevende, je houdt oog voor je eigen veiligheid.

Dit is de deskundigheid om ethische afwegingen te maken en die onder de aandacht te brengen van de verschillende betrokkenen en je functie adequaat en zorgvuldig uit te oefenen, met inachtneming van je verantwoordelijkheden en de geldende regels

1. Je bent je bewust van je eigen referentiekader, normen en waarden.

2. Je bent in staat op constructieve wijze en in overleg met collega’s, de jeugdige, opvoeders en het systeem te reflecteren op je eigen normatieve kader en beroepsmatig handelen.

3. Je sluit in gedrag en houding aan bij achtergrond, cultuur, leefwereld, referentiekader en eventuele beperkingen van de jeugdige en zijn gezin en/of netwerk.

4. Je hanteert een houding van meerzijdige partijdigheid, waarbij het belang van het kind in principe de doorslag geeft bij een afweging.

5. Je brengt de eigen sociale waarden en zingeving van mensen over het voetlicht en richt je op de realisatie hiervan, voor zover dit niet de veiligheid van het kind in het gedrang brengt.

6. Je gaat altijd respectvol om met de kwetsbaarheid van het ‘bij mensen thuiskomen’ en ‘achter hun voordeur kijken’.

7. Je motiveert en onderbouwt je handelen. Dit doe je met de beroepscode, vakinhoudelijke richtlijnen en je vakinhoudelijke en ervaringskennis.

8. Je neemt verantwoordelijkheid voor je eigen handelen, je bent aanspreekbaar op je gedrag, en je spreekt anderen aan op hun handelen en gedrag als dat in strijd is met de professionele standaard.

9. Je stelt je handelen steeds bij in wisselwerking met de praktijk.

Scroll naar top